woensdag 21 januari 2015

Leermiddelen in 2020, een kwestie van kiezen

Papierloze scholen? ICT-loze scholen? In 2020 zullen ze beide bestaan, al zal de tweede soort een uitstervend ras zijn. En als je heel goed gaat kijken, zijn ze niet eens ICT-loos, maar ICT-arm. Want al zou je het willen, aan de digitalisering is geen ontkomen aan, zeker niet voor een school. Onlangs hebben collega-onderwijskundige Albert Rouschop en ik een tweetal artikelen gepubliceerd over leren en leermiddelen in 2020. De complete metamorfose die gaande is in het land van de leerkmiddelen wordt erin beschreven. De artikelen zijn terug te vinden in de nummers 4 en 5 van jaargang 28 van het blad Basisschoolmanagement.

Het eerste artikel 'Leren in 2020' draait om de vraag of en hoe digitale leermiddelen het onderwijs effectiever gaan maken. Wij hebben er weinig twijfels bij, want ICT heeft het onderwijs veel te bieden, maar we kijken in het artikel verder dan de huidige hype. Het is geen kwestie van een vrachtwagen vol tablets aan laten rukken en dan komt de rest vanzelf wel. Nee, de succesfactor is de keuze voor een consistent schoolconcept en vervolgens op basis hiervan kijken wat de bijdrage van ICT kan zijn bij het neerzetten van de beoogde schoolorganisatie. We introduceren hierbij het onderwijspaneel, een hulpmiddel om op zes dimensies een concept te typeren. In het artikel wordt verder ingegaan op het schoolconcept van een traditionele school, een moderne volgende school en een innovatieve school. Het onderscheid lijkt in eerste instantie te berusten op een waardeoordeel, maar binnen alle drie de concepten kan een school steengoed zijn. Maar er zijn natuurlijk wel verschillen ten aanzien van de manieren waarop deze kwaliteit wordt nagestreefd.

Wilt u dit eerste artikel lezen? U vindt het hier.

Het tweede verschenen artikel over leermiddelen in 2020 draait om de vraag hoe een effectief digitaal leerlandschap kan worden neergezet. Ooit waren de boekjes en het krijtbord de belangrijkste leermiddelen die in de klas te vinden waren. Inmiddels is dat uitgegroeid tot een compleet leerlandschap met allerlei, veelal digitale, hulpmiddelen. We geven een overzicht en bespreken ze. Vervolgens leggen we het verband met de verschillende onderwijsconcepten. Welke digitale hulpmiddelen kunnen de traditionele, de modern volgende en de innovatieve school versterken? Uiteindelijk is dat de vraag waar we allemaal voor staan. Heel veel van deze afwegingen worden momenteel gemaakt en bepalen daarmee het onderwijs tot ver na 2020. Kansen om niet te laten lopen dus.

Wilt u ook dit tweede artikel lezen? U vindt het hier.

zaterdag 17 januari 2015

Leermiddelen in 2020

Leermiddelen in 2020
Op weg naar een effectief digitaal leerlandschap.


Door Jos Cöp en Albert Rouschop


Dit is het tweede artikel over leermiddelen in 2020. Het is het vervolg op het artikel dat ging over de vraag of digitale leermiddelen het onderwijs effectiever kunnen maken. Alles wijst erop dat dit inderdaad het geval is, maar wel op een andere manier dan vaak wordt gedacht. Als ICT en digitalisering wordt voorgesteld als de vernieuwing zelf, begeven we ons op glad ijs. Middel wordt dan doel. Daar waar de onderwijskundige focus ontbreekt, is deze omgekeerde drijfveer zeer regelmatig terug te zien. In zo’n situatie zou de onderwijsverbetering uit ICT-ontwikkelingen voort moeten komen, maar vele praktijkervaringen laten zien dat het zo niet werkt.


ICT kan de onderwijsinnovatie faciliteren en dienen als katalysator. Met nieuwe digitale en technische mogelijkheden kunnen onopgeloste onderwijsdilemma’s opnieuw tegen het daglicht worden gehouden, zoals bijvoorbeeld de organisatie van het differentiëren. Met digitale leermiddelen kunnen instructie- en begeleidingstijd van de leerkracht beter benut worden. Ook kan de leerontwikkeling efficiënter gevolgd worden omdat het grotendeels geautomatiseerd kan verlopen. Een reden te meer om in te zoomen op de mogelijkheden van digitale leermiddelen.


In het eerste artikel zagen we al dat de feitelijke meerwaarde van ICT sterk af zal hangen van het schoolconcept en de inrichting van de school zelf. In dit artikel zullen we verder ingaan op de verschillende mogelijkheden en keuzes die gemaakt kunnen worden op weg naar een krachtig, grotendeels digitaal, leerlandschap. Niet te verwarren met het technisch georiënteerde containerbegrip ‘elektronische leeromgeving’.


Lesboeken en het schoolbord
Lange tijd hebben het lesboek en het schoolbord als enige leermiddelen het onderwijs gedomineerd. Met de frontaal klassikale inrichting van het onderwijs, voortkomend uit de eisen die het industriële tijdperk aan de school stelde, was dat eigenlijk ook helemaal geen probleem. Kennis als schaars goed met de juf of de meester als exclusieve leverancier. Bij die situatie van zender en ontvanger past een schoolbord en lesboek. De leerlingen als ontvanger en de leerlijn als een verzameling van opeenvolgende pagina’s in het leerboek.
Het leerboek veranderde daarna in een methode. Er kwamen werkboeken, handleidingen en vaak ook aanschouwelijk materiaal, bijvoorbeeld in de vorm van wandplaten.


Leerlingsoftware en serious games
Eind jaren tachtig van de vorige eeuw deden de eerste computers hun intrede in het onderwijs. In eerste instantie vaak buiten de klas, maar vroeg in de jaren negentig stonden ze, met de eerste leerlingsoftware gericht op het leren, in de klas. Leerlingen konden de aangeboden leerstof extra oefenen met behulp van de computer. Op een eenvoudige manier, omdat de technische mogelijkheden nog heel beperkt waren. PC’s met geluidskaarten waren nog niet in de klas terug te vinden. Toen dat wel het geval werd, groeiden de mogelijkheden en dus ook de impact die het softwaregebruik kon hebben. Momenteel zie je dat goede leerlingsoftware steeds meer een spelelement in zich heeft. Daarmee wordt deze software ook verbonden met elementen die in de gamesindustrie gemeengoed zijn. Met één groot verschil, niet het spelelement, maar het leerdoel staat centraal. Het zijn in veel gevallen serious games geworden doordat spelelementen worden ingezet om op een serieuze manier tot leren te komen. Naast motivatie bevorderende argumenten heeft de game ook de mogelijkheid tot simuleren. Over het feit dat simulatie een krachtige onderwijsinterventie kan worden, is veel consensus.


Toets- en regiesoftware
Na de eeuwwisseling ontstond, op basis van instrumenten die eigenlijk bedoeld waren voor het doen van wetenschappelijk onderzoek, toetssoftware. Dit gebeurde als eerste vanuit normeringsonderzoek bij de methode Veilig Leren Lezen. Nadat het betreffende onderzoek was afgerond, wilden de betrokkenen graag gebruik blijven maken van de mogelijkheden van het computerprogramma. Hiermee was het mogelijk om ingevoerde toetsresultaten direct digitaal te analyseren. Zo ontstond de mogelijkheid om het leesonderwijs te evalueren en per leerling een individueel betrouwbaar vervolgadvies te geven. Deze beperkte toets- en regiesoftware, vaak nog op cd-rom, hielp leerkrachten bij het op maat inrichten van hun onderwijs. Eigenlijk kan dit gezien worden als de oorsprong van het gepersonaliseerd leren.


Digibordsoftware en de leerkrachtassistent
Niet lang daarna deden de eerste digitale schoolborden hun intrede. In eerste instantie hadden deze niets met methoden te maken. Het was een middel om zaken op een praktische manier aanschouwelijk te maken en het feit dat het bord via een computer direct met het internet verbonden was, gaf veel mogelijkheden om de ‘echte’ wereld in de klas te halen. Vaak werden PC’s uitgerust met een TV-kaart om van het digibord een grote televisie voor in de groep te maken.


Al snel kruisten de mogelijkheden van het digibord het pad van de methodeontwikkelaars. Er ontstond gespecialiseerde digibordsoftware waarmee complete lessen voor leerkrachten klaargezet konden worden. In eerste instantie betrof het vooral geprojecteerde (fragmenten uit) boeken, aangevuld met filmpjes en oefenvormen. Weinig interactief en feitelijk niet veel meer dan een digitale weergave van papier.
De nieuwste generatie digibordsoftware gaat veel verder. Deze vormt voor veel leerkrachten het hart van de methode en is daarmee een heel belangrijke digitale assistent geworden. Niet alleen door zaken multimediaal en aanschouwelijk te maken, maar ook door hulp te bieden bij het voorbereiden, uitvoeren, evalueren en plannen van leeractiviteiten.


Afbeelding 1: componenten van de nieuwe generatie digibordsoftware (bron: Taalmethode Taal in beeld 2)


De digibordsoftware wordt het hart van de methode, doordat op de achtergrond gekoppeld wordt met andere applicaties. Hierdoor nemen de regiemogelijkheden voor de leerkracht toe, zonder dat dit een zware inspanning vraagt. Met name de koppeling met de leerlingsoftware en de toetssoftware maakt dat hiermee de groepsactiviteiten direct afgestemd kunnen worden op de individuele resultaten. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om real time te bekijken wat de leerlingen de moeilijkste woorden vinden bij het oefenen in het woordenschatprogramma en deze vervolgens nog eens samen extra te oefenen op het digibord.


Tablets, apps en digiboeken
Enkele jaren na het ontstaan van de digibordsoftware werden de eerste smartphones en afgeleide mobiele devices als de iPod populair. Voor deze apparaten werden al snel veel kleine educatieve apps ontwikkeld, deels behorend bij de bekendere methoden. Deze apps kregen al snel een plek in de leertijduitbreiding voor op school of thuis: een herhaling van de instructie, bijvoorbeeld door een uitlegfilm, gecombineerd met interactieve oefenmogelijkheden.


Na de kleine persoonlijke devices deden ook de tablets hun intrede in het onderwijs. Snel was de verwachting dat de tablet de pc en laptop zou gaan vervangen. Natuurlijk zijn de verkoopcijfers van tablets enorm, maar helemaal uit hypesfeer zijn ze toch nog niet. Een tablet is een receptief apparaat dat helemaal gebouwd is om dingen op te kunnen lezen, films te bekijken en voor het eenvoudige productieve werk zoals het afhandelen van mails, het versturen van sociale media berichten of het maken, eenvoudig bewerken en verzenden van foto’s. Voor zwaarder en meer productief werk, zoals het schrijven van teksten en het uitvoeren van meer complexe grafische taken, is het apparaat minder geschikt. Langere teksten worden vrijwel nooit op een tablet gemaakt. Het maken van tekeningen of presentaties al evenmin.


Met de introductie van de tablet kwam er aandacht voor e-books. In eerste instantie ging het hierbij alleen om pdf- of epub-bestanden: statisch en veelal alleen gebaseerd op tekst. Op dit moment ontstaan er echter veel rijkere digiboeken, waarbij complete lessen in een zelfstandige werkvorm worden gegoten en leerlingen via interactieve oefeningen, uitlegfilms en animaties begeleid worden naar het behalen van de leerdoelen. Ze staan nog in de kinderschoenen, maar potentie hebben ze zeker. Of de term digiboek een goede is, valt overigens te betwijfelen, want de rijkheid van deze systemen overstijgt het boek op vele fronten. In feite ontwikkelen ze zich op dit moment door tot (adaptieve) digitale opdrachtsystemen, waarbij opdrachtvormen die bedacht zijn voor papier, digitaal hergebruikt worden. De vraag of ze daarmee wel voldoende aanzetten tot effectief leren, wordt helaas nog te weinig gesteld, maar de twijfel hierover neemt momenteel snel toe.


Databases met extra keuzestof
Dan is er nog een digitale component die we nog niet beschreven hebben en dat is de database met extra keuzestof. Soms bedoeld als herhalingsstof en soms als plusstof voor leerlingen die meer aankunnen. Veel leerkrachten geven aan dat ze behoefte hebben aan een compact curriculum met basisstof, aangevuld met leerstof op maat. Deze laatste moet dan geen verplichtend karakter hebben, maar de mogelijkheid bieden om kinderen extra instructie en oefening te geven op hun eigen niveau. Bijvoorbeeld voor een zinvolle invulling van de tempodifferentiatie. Dit alles kan geregeld worden door een ruime hoeveelheid extra leerstof toe te voegen aan een methode, waaruit leerkrachten of leerlingen zelf een passende keuze kunnen maken. Natuurlijk is het altijd mogelijk om ook zelf oefenstof te bedenken en toe te voegen, maar de tijdsintensieve verplichting om deze te maken of te gaan zoeken, maakt van een database met keuzestof een gewild stukje service.


De meerwaarde van verbonden applicaties
We hebben hierboven de componenten geschetst van een moderne gedigitaliseerde methode. Toch is het verhaal niet compleet, want het lijkt vooral te gaan om losse componenten. De grote meerwaarde van digitaal is echter dat de losse componenten met elkaar te verbinden zijn, waardoor het iets toevoegt dat met papier en zelfstandige applicaties niet eerder mogelijk was.


Een belangrijke voorwaarde om applicaties te kunnen koppelen is dat de data allemaal in dezelfde database terecht komen en achter één inlog staan. Dan kunnen ze gecombineerd worden en ontstaat een laag van nieuwe mogelijkheden die de leerkracht heel goed kunnen ondersteunen bij het verder op maat maken van het leren. Zo kunnen de resultaten uit de oefensessies van bijvoorbeeld woordenschat-, spelling- of rekenprogramma’s gebruikt worden om vast te stellen welke leerstof door veel kinderen nog als moeilijk wordt ervaren. Op basis hiervan kunnen de gegevens, zoals we eerder als voorbeeld noemden bij de digibordsoftware, weer gebruikt worden om met een grotere groep leerlingen op een interactieve manier extra te oefenen. Hetzelfde geldt voor het direct gebruik maken van de toetsresultaten. Op basis van de toetsdata kan, na geautomatiseerde analyse en registratie zonder de arbeidsintensieve tussenkomst van een leerkracht, een passend vervolgprogramma worden klaargezet. Met de naam erop geprint als het werkbladen betreft. Of in geval van digitale oefenstof, bereikbaar vanuit de persoonlijke takenlijst of via de mailbox. Als dit op individueel niveau kan, dan is het absoluut geen probleem om het ook op groepsniveau te doen. Zo ontstaan in een handomdraai dynamische groepsplannen, die veel kortcyclischer kunnen zijn dan momenteel gebruikelijk is. Een enorme verademing als we het vergelijken met de tijd die een leerkracht anders zelf zou moeten besteden aan het nakijken, registreren en analyseren, gevolgd door het maken van plannen op groeps- en individueel niveau. Juist door de computer in te zetten voor deze zaken, krijgt de leerkracht zijn vak terug en kan de schaarse tijd besteden aan het begeleiden van kinderen bij het leren en ontwikkelen.


Van methode naar leerlandschap
In het begin van dit artikel hebben we geschetst hoe lesboeken langzamerhand methodes werden. Vervolgens hebben we beschreven hoe methoden zich van papier richting digitaal ontwikkelden. De laatste ontwikkeling waar we op ingaan is die van de stap naar een digitaal leerlandschap.




Afbeelding 2: overzicht van een leerlandschap (Bron: methoden Taal in beeld 2, Veilig leren lezen, Estafette, Pennenstreken 2)


In het eerste artikel hebben we besproken dat de technologische mogelijkheden onderwijsinnovaties slechts kunnen faciliteren en zeker niet afdwingen. Onderwijsvernieuwing is een kwestie van het kiezen voor onderwijsconcepten die beter passen bij deze tijd en bij de doelgroep van de school en het doorvoeren van de gedragsverandering die hiervoor nodig is. Dit vraagt in ieder geval om keuzes op het gebied van de pedagogische aanpak, de didactische aanpak, de te hanteren organisatievorm, de differentiatie, de aangeboden leerstof en, pas tot slot, de te gebruiken leermiddelen. We gebruikten hierbij in het eerdere artikel het ‘onderwijspaneel’ en onderscheidden daarbij drie algemene schoolconcepten: de traditionele, de moderne volgende en moderne innovatieve school. Nu kunnen we bekijken welke keuzes met betrekking tot het leerlandschap vanuit de verschillende concepten voor de hand liggen.


ICT in de traditionele school
Bij de traditionele school, staan alle schuifjes in het regelpaneel vooral naar links, waardoor een zeer sterke leerkrachtsturing en een heel beperkte differentiatie de belangrijkste kenmerken van deze organisatie zijn. De constatering daarbij is dat dit schoolconcept alleen maar goed uit te voeren is als de verschillen tussen de leerlingen beperkt zijn. Anders gaat de organisatie wringen, want de instructie en oefening zijn afgestemd op een denkbeeldige gemiddelde leerling zonder aanpassingsmogelijkheden naar boven en naar beneden.


De belangrijkste digitale elementen uit het leerlandschap zijn voor deze scholen de digibordsoftware en de leerlingsoftware. Daarin zitten de belangrijkste mogelijkheden om aan te sluiten bij de differentiatiecapaciteit van deze scholen en deze vervolgens verder uit te bouwen. Goede geïntegreerde digibordsoftware biedt, meer dan bij het gebruik van alleen maar papieren materialen, mogelijkheden om de voorbereiding, de lesuitvoering, de lesevaluatie en het maken van groepsplannen beter te ondersteunen. Door consequent gebruik te maken van de data die verzameld zijn met betrekking tot de individuele prestaties, kan op een makkelijkere en gebruiksvriendelijke manier gewerkt gaan worden in aanpakken, waarbij de instructie- en begeleidingsbehoeften bepalen in welke mate leerlingen zelfstandig of juist meer begeleid aan de slag gaan.
De prestaties in de leerlingsoftware leveren, naast de toetsgegevens extra data om te zorgen dat ieder individueel kind in de juiste aanpak terecht komt.


ICT in de moderne volgende school
Dit onderwijsconcept staat op de meeste basisscholen in Nederland centraal. Het kenmerkt zich doordat veel schuifjes in het regelpaneel overwegend in het midden staan. Er is sprake van een redelijk sterke leerkrachtsturing, maar deze is wel gekoppeld aan een interactieve didactiek, waarbij interactie wordt gezien als een belangrijke voorwaarde om tot leren te komen.


Geavanceerde digibordsoftware kan daarbij het hart van de aanpak zijn en de andere applicaties uit het leerlandschap voeden de database met de noodzakelijke data. Hiermee kan de leerkrachtassistent voor het digitale schoolbord op individueel niveau en op groepsniveau de juiste overzichten genereren, dynamische groepsplannen samenstellen en uiteindelijk de juiste leeractiviteiten klaarzetten. Natuurlijk kan de leerkracht andere keuzes maken, maar zoveel mogelijk werk, dat door computers gedaan kan worden, is inmiddels voorbereid.


ICT in de moderne innovatieve school
Schoolconcepten van moderne innovatieve scholen zijn niet makkelijk onder één noemer te brengen, omdat ze onderling vaak heel verschillende uitgangspunten hebben. Het gemeenschappelijke is dat de schuifjes in het regelpaneel over het algemeen ver naar rechts staan. Daarmee kiezen zij meestal voor meer leerlingsturing dan de andere concepten en combineren dit met veel aandacht voor verschillen tussen kinderen, zowel wat betreft leerniveau, leertempo als interesse. Dit resulteert vaker dan in andere scholen in divergente differentiatie, waarbij leerlingen niet met hetzelfde doel, maar juist met hun eigen leerdoelen aan de slag gaan. De uitdaging voor deze scholen is om het systeem toch doelgericht en effectief te houden en de voortgang van de leerlingen goed te kunnen volgen. Op basis hiervan kunnen dan weer de passende vervolgactiviteiten gepland worden.


Een aantal moderne innovatieve scholen zal terughoudend zijn met groepsgewijze leermaterialen. Vanuit hun keuzes is dat te begrijpen. De nadruk zal meer liggen op de materialen waarmee leerlingen in ruime mate zelfstandig kunnen leren, zoals de leerlingsoftware in de vorm van serious games, de interactieve digiboeken, de apps, materialen uit de oefendatabase en de toetssoftware. Of dit nu gebeurt op een tablet, laptop of ander apparaat, is iets minder van belang. Een directe koppeling van de applicaties met de database is echter wel heel belangrijk, want die kan ervoor zorgen dat de leerkracht de kinderen makkelijker kan volgen. De database bevat namelijk de learning analytics en toetsgegevens die hierbij een belangrijke functie kunnen hebben.


Het gebruik van digibordsoftware lijkt voor moderne innovatieve scholen iets minder voor de hand te liggen omdat er minder met grotere groepen gewerkt wordt. Toch is het de vraag of dit eigenlijk wel terecht is. Ook op deze scholen zitten namelijk zorgkinderen. Kinderen die zonder veel hulp en begeleiding van de leerkracht de leerdoelen niet bereiken. Om deze leerlingen efficiënt te ondersteunen, kan het handig zijn om ze in een klein groepje bij elkaar te zetten en vervolgens samen op een interactieve manier aan de slag te gaan. Dan is het aanschouwelijk maken toch ineens erg belangrijk en dat kan heel handig door gebruik te maken van de faciliteiten die in de digibordsoftware zitten. Denk hierbij aan de interactieve oefeningen, instructiefilms en uitlegschema’s die bij ieder leerdoel beschikbaar zijn. Door de instructietafel in de buurt van het digibord te plaatsen, kan heel eenvoudig een optimale setting gerealiseerd worden.


De toekomst
Het leerlandschap zoals we dat in dit artikel geschetst hebben, is voortdurend in beweging. Technische mogelijkheden en wensen vanuit de praktijk sturen de richting. Mede daarom zijn pioniers erg belangrijk voor de leermiddelenontwikkeling. 2020 klinkt ver weg, maar over zes jaar is het al zover.


We hebben al eerder gezegd dat technologische mogelijkheden geen onderwijsvernieuwing af kunnen dwingen. Maar het is wel verheugend om vast te stellen dat de ontwikkelingen in het leerlandschap enorm veel potentie hebben voor het onderwijs. Enerzijds om het leren effectiever te laten plaatsvinden. Maar tegelijkertijd moeten met name de digitale faciliteiten maken dat de leerkracht zich meer dan nu kan richten op de kern van het vak, namelijk het begeleiden van kinderen bij het leren en ontwikkelen.


Jos Cöp en Albert Rouschop zijn beiden onderwijskundige en werken bij Uitgeverij Zwijsen aan de leermiddelen van de toekomst. Meer informatie, voorbeelden, discussiefilms, checklists en andere hulpmiddelen vindt u op: http://leren in 2020.blogspot.com.


Dit artikel is verschenen in het blad Basisschoolmanagement, jaargang 28, nummer 5. 

zaterdag 10 januari 2015

Leren in 2020

Leren in 2020
Hoe digitale leermiddelen het onderwijs effectiever gaan maken.

Door Jos Cöp en Albert Rouschop


Heel veel mensen in en rond het onderwijs zijn driftig op zoek naar voorstellingen van het leren van de toekomst. Het denken over wordt vaak sterk gestuurd door technische mogelijkheden, maar is dat wel terecht? Kunnen digitale leermiddelen het onderwijs wel effectiever maken? En wat zijn dan belangrijke onderliggers en succesfactoren? Dit artikel is geen bloemlezing over technologische snufjes maar veel meer een zoektocht naar veranderende onderwijsvisies die samen met ICT-ontwikkelingen als basis dienen voor het leren in de nabije toekomst. Keuzes die niet gaan over de nieuwste gadgets of digitale walhalla’s, maar over de brug waarmee ICT de onderwijspraktijk, de thuissituaties van leerlingen en de veranderende maatschappij kan verbinden. Een weg naar een andere manier van leren en onderwijzen, beter passend bij wat leerlingen in de toekomst nodig hebben.  


Voorbij de hype
Welke leermiddelen treffen we aan in de klas van 2020? Of kunnen we tegen die tijd al niet meer over een klas spreken? Ondanks dat het maar zes jaar weg is, lijkt het een hele opgave om een realistisch beeld te schetsen. Dit heeft alles te maken met het feit dat ons leven zich meer en meer omringt met digitaal. ICT is overal en dat is van invloed op het beeld dat we er van hebben.
In die zin zijn er flinke stappen gezet. Het gaat niet zozeer meer over de vraag of ICT het onderwijs gaat veranderen, maar meer over het hoe en met welke kwaliteit.
Beleidsbepalers, bestuurders en directies komen aan zet. Door gebruik te maken van de digitale wind die gaat waaien, kunnen zij ontwikkelingen stimuleren en temporiseren. Dat punt gaan we voor het jaar 2020 bereiken. En dat is mooi, want op dat moment zijn we samen in staat om ICT op waarde te schatten en het ten volle te benutten in dienst van het leren.


Neutraal
ICT en digitalisering zijn op zichzelf neutrale ontwikkelingen, die op geen enkele manier voorsorteren naar een onderwijsopvatting. Sterker nog, de aanname dat technologie het onderwijs echt kan vernieuwen is een misvatting. Feitelijk zit onderwijsinnovatie in het gedrag van mensen. Ondersteuning door ICT kan de gedragsverandering echter wel faciliteren. De inzet van digitale schoolborden of touchscreens in de klas kan helpen om het onderwijs anders in te richten, maar dat hoeft natuurlijk niet zo te zijn. Deze middelen kunnen het lesgeven interactiever en attractiever maken, maar het is uiteraard geen garantie. Er is geen zekerheid dat het gaat leiden tot betere leerresultaten, betere afstemming op of een nauwere aansluiting op de veranderende belevingswereld van de leerlingen. Om daadwerkelijk meerwaarde te bieden is alleen de technologie onvoldoende. Daar is meer voor nodig.


Schoolconcepten
Onderwijsvernieuwing heeft zeker ook te maken met verandering in onderwijsconcepten, zeg maar de achterliggende keuzes die ten grondslag liggen aan de manier waarop kinderen tot leren worden aangezet.
Ooit was de wereld heel overzichtelijk. We organiseerden onderwijs als een massasysteem dat veel parallellen had met de manier waarop fabrieken waren ingericht. Informatie was schaars en de leermiddelen waarmee informatie gedeeld kon worden, waren eveneens beperkt beschikbaar. Daaruit groeide een systeem waarbij het schoolbord en het boekje de belangrijkste manieren waren om informatie te delen. Nou ja, delen, de leerkracht was de zender en de leerling de ontvanger. Kortom, de basis voor klassikaal frontaal onderwijs was geschapen, passend in het toenmalige tijdsbeeld en de opbrengstverwachting die nodig was om goed te kunnen functioneren in de samenleving van destijds.


De klassikaal frontale oplossing is op dit moment voor veel leerlingen niet meer de beste manier om op een efficiënte manier tot leren te komen. Ook is het zo dat de hiërarchische relaties niet meer van dien aard zijn dat de zendende leerkracht altijd kan rekenen op een enthousiast ontvangend publiek. Meer interactie werd noodzakelijk om de doelen te bereiken en verdere afstemming op individuele verschillen is momenteel geen luxe maar noodzaak. Daar waar scholen te weinig meegaan in deze verandering, teveel gericht zijn op de massa, kraakt het systeem. Zonder dat iedereen zich daarvan bewust is, zijn we daarmee afscheid aan het nemen van het massasysteem.


In de voorspellingen van hoe het onderwijs zal veranderen, zien we vaak hetzelfde misverstand. Er wordt een beeld geschetst van een nieuw massasysteem met andere kenmerken. Vaak een systeem waarin leerlingen individueel werken op een digitaal apparaat. Voor een aantal scholen kan dit best de realiteit worden. Maar moderne scholen zullen veel meer van elkaar verschillen dan we gewend zijn. Ze zijn niet meer gericht op de massa, passen niet meer in een massasysteem, maar richten zich juist op doelgroepen. Dat doen ze door het schoolconcept af te stemmen op dat wat hun leerlingen nodig hebben. Het aantal verschillende schoolconcepten zal daardoor sterk toenemen en de wijze waarop deze worden ingevuld nog meer. De keuze is vervolgens aan ouders, leerlingen en leerkrachten. Er zal daarbij niet zo snel sprake zijn van goed of fout, maar het gaat om de samenhang en aansluiting bij de eigen doelgroep. Het hele spectrum van sterk leerkrachtgestuurd onderwijs met vooral papieren leermiddelen tot nagenoeg volledig leerlinggestuurd onderwijs met vooral digitale leermiddelen en een begeleidende leerkracht zullen terug te vinden zijn in het onderwijs van de toekomst.


Zes dimensies
Gekozen onderwijsconcepten verschillen op minstens zes dimensies van elkaar, namelijk op pedagogische aanpak, didactische aanpak, gehanteerde organisatievorm, de differentiatie, de leerstof en de inzet van leermiddelen. Eigenlijk is er telkens sprake van een spectrum. Twee uitersten met verschillende verschijningsvormen daartussen.


De pedagogische aanpak kan variëren van strak leidend en begeleidend tot meer loslatend en zelf keuzes laten makend.
De didactische aanpak kan ook sterk verschillen. Het ene uiterste is dat de leerstofaanbieding van de leerkracht gesloten is en gericht op zenden. De leerlingen zijn hierin volgend en consumeren de leerstof als het ware. Het lijken negatieve kwalificaties, maar ook goede hoorcolleges in het hoger onderwijs, vertrekken vanuit deze uitgangspunten en kunnen heel effectief zijn. Hetzelfde geldt voor goede instructiefilms. Met weinig middelen is daarmee een groot publiek te bereiken. Het tegenovergestelde van deze aanpak is de open en interactieve werkwijze, waarbij leren wordt gezien als een persoonlijk proces van kennisconstructie. Sociale interactie wordt daarbij gezien als een belangrijke voorwaarde.
De organisatievorm kan sterk leerkrachtgestuurd of juist leerlinggestuurd zijn.
Bij het bepalen van de organisatie zal er altijd ruimte moeten zijn voor differentiatie, dat wil zeggen de manier van omgaan met verschillen tussen leerlingen. Dit kan in een convergente vorm, waarbij de meeste leerlingen, met een verschillende mate van ondersteuning, op hetzelfde moment werken aan dezelfde leerdoelen.
Een voorbeeld van een convergent differentiatiemodel is het werken met drie aanpakken in een les, waarbij de hoeveelheid instructie en begeleiding afgestemd is op de onderwijsbehoeften van het individuele kind. De les start met een gezamenlijke introductie. Daarna gaan de hoogvliegers in een verregaande vorm zelfstandig aan de slag. De overige leerlingen krijgen vervolgens een basisinstructie. De meeste kinderen gaan daarna ook zelfstandig aan de slag. Slechts de leerlingen die veel moeite hebben met het bereiken van de leerdoelen, nemen dan nog plaats aan de instructietafel, waar de instructie voor hen verlengd wordt. Aan het einde van de les volgt weer een gezamenlijk evaluatiemoment.
Het alternatief voor het convergente model is divergent differentiëren, waarbij leerlingen juist met verschillende doelen bezig zijn, in hun eigen tempo en op eigen niveau werken en soms zelf op basis van eigen interesse door de leerstof gaan.
Een andere dimensie waarop schoolconcepten kunnen verschillen, is de mate waarin scholen, binnen de voorschriften van bijvoorbeeld de referentieniveaus, de behoefte hebben om zelf leerstof toe te voegen of te combineren. Of door juist leerlingen zelf expliciete keuzemogelijkheden te geven.
Tot slot zullen de keuzes op de reeds genoemde dimensies uitmonden in het kiezen voor verschillende soorten bijpassende leermiddelen. Te denken valt aan de keuze tussen papieren of digitale dragers.


Het onderwijspaneel
Bovengenoemde zes dimensies van een onderwijsconcept hebben wij uitgewerkt in een regelpaneel. Hierdoor is ook de samenhang zichtbaar die noodzakelijk is om te komen tot een consistente inrichting van de school. De grootste uitdaging voor bestuurders, directies en leerkrachten is daarom ook om in gezamenlijkheid te benoemen waar de school voor staat. Dat kan door de schuiven te verzetten. Zo ontstaat een gedeeld onderwijsconcept, dat richtinggevend is voor de keuze van passende leermiddelen en een adequate inzet van ICT-voorzieningen. De wijze waarop en de mate waarin digitalisering wordt ingezet, zal sterk samenhangen met het schoolconcept dat aan de orde is.




Afbeelding 1: Het onderwijspaneel met de zes dimensies


Grofweg zijn er drie soorten algemene schoolconcepten die getypeerd kunnen worden op basis van de keuzes in het regelpaneel. De etiketten die we ze meegeven zijn: traditioneel, modern volgend en modern innovatief. We zullen de typologieën hieronder kort uitwerken met behulp van de keuzes in het paneel en verbinden met de mogelijke inpassing van ICT.


De traditionele school


Afbeelding 2: Het onderwijspaneel voor de traditionele school


Over de traditionele school kunnen we duidelijk zijn. Bij dit schoolconcept staan de zes schuifjes links in het regelpaneel. Zowel de pedagogische als de didactische aanpak als de organisatievorm zijn sterk leerkrachtgestuurd.


Traditionele scholen benaderen de leerlingenpopulatie als homogeen. In de regel zullen zij adaptief werken tot een minimum beperken en weinig oog hebben voor verschillen tussen leerlingen. Er was een tijd dat veel scholen vooral vanuit deze opzet werkten, maar momenteel is dit aantal danig aan het slinken.


Over het algemeen maken traditionele scholen gebruik van een curriculum waarin de leerstof sterk gestandaardiseerd en papier in hoofdzaak de drager is. De prikkel om een rijke ICT-omgeving te creëren is beperkt, want deze hoeft het omgaan met verschillen niet echt te ondersteunen. Veel dingen gebeuren met de hele groep. Een digibord of touchscreen kan de leeromgeving wel wat rijker maken, maar daar zit dan ook de maximale toegevoegde waarde. Verder kan het zelfstandig werken op pc’s, laptops of tablets een verrijking zijn waardoor de verwerking van de leerstof veelzijdiger wordt.


De moderne volgende school




Afbeelding 3: Het onderwijspaneel voor de moderne volgende school


De moderne volgende school is in Nederland verreweg het meest nagestreefde schoolconcept. De schatting is dat zeventig tot tachtig procent van de Nederlandse scholen voor primair onderwijs zichzelf zo typeert. In de pedagogische aanpak en de organisatievorm is een sterke leerkrachtsturing terug te vinden, maar in de didactische aanpak is ruimte voor interactief leren, uitgaande van de visie dat leerlingen op hun eigen manier kennis construeren en zo tot leren komen.
Het gehanteerde differentiatiemodel is in principe vooral convergent, maar bij de kernvakken wordt wel gewerkt vanuit meerdere, meestal drie, aanpakken op basis van de instructie- en begeleidingsbehoeften die leerlingen hebben. Hierdoor ontstaat een redelijk adaptief systeem voor het omgaan met verschillen, al wil er nog wel eens een spanningsveld zijn als het gaat om leerlingen voor wie de basisdoelen veel te hoog of veel te laag gegrepen zijn. Veel van deze scholen werken met een gestandaardiseerd basispakket als het gaat om de leerstof, maar bij de aanvullende leerstof zijn er veel meer mogelijkheden om keuzes te maken. Zowel voor leerkrachten als voor leerlingen.
Aangezien dit type scholen toch wel een enigszins complexere setting creëert, kan de toegevoegde waarde van ICT ook absoluut groter zijn dan bij de traditioneel klassikale school. De ICT-inrichting en de gebruikte applicaties op deze scholen kunnen absoluut een bijdrage leveren aan het beter omgaan met verschillen. Bijvoorbeeld door software in te zetten waarmee leerlingen in verregaande mate zelfstandig kunnen oefenen en via de digitale weg herhaalde instructie aangeboden krijgen.


Verder kunnen digitale hulpmiddelen de leerkracht ondersteunen bij de planning, de voorbereiding, het geven van de lessen, de toetsing, de registratie en de evaluatie van leeractiviteiten. In een vervolgartikel zullen wij deze mogelijkheden verder toelichten.


De moderne innovatieve school
  


Afbeelding 4: Het onderwijspaneel voor de moderne innovatieve school


Het derde algemene onderwijsconcept is dat van de moderne innovatieve school. Deze scholen hebben een belangrijke functie in een onderwijssysteem. Zij zijn de voorlopers en proberen oplossingen te vinden voor problemen die binnen meer gangbare onderwijsconcepten onoplosbaar lijken. Het betreft een relatief kleine groep scholen, die ook onderling weer behoorlijk verschillen. Vaak hebben zij met de onderwijsinspectie speciale afspraken gemaakt om hun concept te kunnen ontwikkelen. Soms zijn het traditionele vernieuwingsscholen die hun ideeën over leren doorvertalen naar een nieuwe tijd. Maar in andere gevallen kunnen het ook scholen zijn die iets totaal nieuws bedenken.


De in de media veelbesproken O4NT-scholen (regelmatig iPad-scholen genoemd) van mede-oprichter Maurice de Hond zijn hiervan een passend voorbeeld. Regelmatig krijgen ze de kritiek dat hun concept niet goed genoeg doordacht zou zijn, maar dit verwijt is waarschijnlijk niet terecht. Je kunt er een voorstander van zijn of niet, maar de plannen zijn consistent en er zit een duidelijke visie achter. Uiteindelijk zullen dit soort experimenten veel kunnen betekenen voor de rest van de scholen.


Als het al mogelijk is om de onderwijsconcepten van moderne innovatieve scholen met elkaar te verbinden, dan zal de overeenkomst zijn dat de schuifjes in het regelpaneel allemaal vooral naar de rechterkant geschoven zijn. De pedagogische en didactische aanpak en de organisatievorm helt over naar de leerlingsturing. Het gevolg daarvan is dat geprobeerd wordt om de differentiatie divergent te organiseren, waardoor leerlingen in eigen tempo, op eigen niveau en soms ook binnen de eigen interessegebieden bezig zijn.


Ervaringen geven aan dat het een hele kluif is het om het bovenstaande op een goede manier te organiseren en niet te vervallen in een patroon waarin het aan het werk houden van alle leerlingen belangrijker is dan het efficiënt sturen op het bereiken van de leerdoelen. Dit probleem heeft het onderwijs lang in de vorm van de ‘werkbladencultuur’ gehad, waarbij de leerkracht vooral bezig was met het zorgen dat er voor ieder kind steeds weer een nieuw werkblad klaar lag. Dit ging vaak ten koste van de instructie- en begeleidingsmogelijkheden, wat de doelgerichtheid en de effectiviteit van het leren in gevaar bracht. Ook bij nieuwe digitale initiatieven zullen we steeds goed moeten kijken naar doelgerichtheid. Met de wildgroei aan vermeend educatieve apps lopen we het risico om opnieuw ondergedompeld te worden in de ‘werkbladencultuur’ uit het verleden. Er blinkt geen goud omdat er meer digitaal gewerkt wordt. Nee, het gaat blinken als leerlingen met behulp van ICT beter leren en leerkrachten hen hierbij beter kunnen ondersteunen. De indirecte meerwaarde kan ook zijn dat het vak, in dit geval dat van onderwijsgevende, aangenamer wordt. In veel sectoren is dat al het geval, maar we kunnen vaststellen dat het onderwijs tot op heden nog achterblijft. Dat is natuurlijk ook niet vreemd omdat onderwijs in essentie natuurlijk mensenwerk is en blijft. De potentie die het meer gebruik maken van digitale hulpmiddelen in het onderwijs heeft, is echter groot.


Als het gaat om moderne innovatieve scholen dan zie je dat goede leerlingsoftware en apps die de instructie en oefening rechtstreeks naar de leerlingen brengen, veel toekomst hebben. Zeker wanneer daar nieuwe mogelijkheden worden benut om de betrokkenheid bij het leren te vergroten. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door gebruik te maken van elementen uit serious gaming of actualiteit toe te voegen.


Aan de andere kant liggen er ook veel mogelijkheden in het ondersteunen van leerkrachten bij het organiseren van de activiteiten. Daar waar de differentiatievorm divergenter wordt, is er meer behoefte aan hulp bij de (groeps)planning, de instructie, de (extra) oefening, de toetsing, de registratie en de (tussentijdse) evaluatie. Dit betekent ook op een slimme manier gebruik maken van de data die al bekend zijn van een leerling. ICT kan hierbij de verbindende schakel zijn, waardoor de leerkracht meer tijd kan investeren in de instruerende en begeleidende rol. Opbrengsten worden transparanter en het verzamelen van leerlingresultaten kan bijna automatisch.


Samenvattend
Samenvattend kunnen we stellen dat de digitalisering alles in zich heeft om het onderwijs effectiever en het vak van leerkracht aantrekkelijker te maken. Maar om dit ook daadwerkelijk te doen, is het belangrijk dat we de mogelijkheden die ICT te bieden heeft, kennen en dat we de keuzes maken die passen bij het onderwijsconcept waar we voor staan. En dat kan per school verschillend zijn. Het onderwijspaneel biedt de mogelijkheid om per schoolorganisatie te bekijken hoe digitale meerwaarde kan worden toegevoegd. En hoe daarmee een bijdrage kan worden geleverd aan succesvolle onderwijsinnovatie.


In het volgende nummer van Basisschoolmanagement zullen we, voortbouwend op dit artikel, verder ingaan op de digitale leermiddelen die het in zich hebben om de genoemde verwachtingen in te lossen. We zullen uiteenzetten hoe de digitale leeromgeving er in 2020 uit kan zien en gaan in op de keuzes, die op basis van de verschillende onderwijsconcepten, gemaakt kunnen worden.

Jos Cöp en Albert Rouschop zijn beiden onderwijskundige en werken bij Uitgeverij Zwijsen aan de leermiddelen van de toekomst. Meer informatie, voorbeelden, discussiefilms, checklists en andere hulpmiddelen vindt u op: http://leermiddelen in 2020.blogspot.com.

Dit artikel is verschenen in het blad Basisschoolmanagement, jaargang 28, nummer 4.