dinsdag 27 april 2010

De metamorfose van de handleiding

De handleiding is sinds jaar en dag het hart van de methode. Wil je snappen hoe een pakket werkt of hoe je les 10 het beste kunt aanbieden, dan zoek je het op. Toch is de vorm en de functie van de handleiding momenteel behoorlijk aan het veranderen. En dat is ook wel nodig ook, want de fysieke levensduur van nogal wat handleidingen is bijna onbeperkt. De reden: ze komen zelden uit de kast en soms niet eens uit de plastic folie die er bij de aanschaf omheen zat. Om een goede inschatting te kunnen maken van de metamorfose van de handleiding, is het goed om rekening te houden met minstens drie ontwikkelingen.

De eerste ontwikkeling heeft te maken met de didactische functie. De klassieke handleiding stamt uit de tijd dat methodes een ander karakter hadden en gebaseerd waren op een andere didactiek. Het hulpmiddel ondersteunde een didactiek die veelal gebaseerd was het behaviorisme. Het menselijk geheugen werd gezien als een black box waar we niets van wisten en leren gebeurde aan de hand van een paplepeldidactiek (met leerlingen als holle vaten die gevuld moesten worden) of een didactiek op basis van drill and practice of trail and error ("oefen maar en dan komt het vanzelf wel"). Deze leerprincipes zijn de laatste decennia vervangen door leertheoretische uitgangspunten die gebaseerd zijn op het constructivisme. Hierbij wordt leren gezien als een persoonlijk constructieproces, waar niet alleen de stimulus (leerstof, leerkracht) van belang is, maar waarbij ook de leerling zelf nadrukkelijk invloed heeft op het eigen leren.

Om de leerling beter in staat te stellen om zijn leerproces te sturen, is het belangrijk om uit te gaan van individuele onderwijsbehoeften als het gaat om de (mate van) ondersteuning bij het leren. Sommige, meestal de betere, leerlingen leren het best door redelijk zelfstandig aan de slag te gaan. Andere, meestal de gemiddelde en minder goede leerlingen, halen de leerdoelen niet als ze onvoldoende instructie en begeleiding krijgen. Om te zorgen dat het methodisch materiaal aansluit bij beide onderwijsbehoeften, is het belangrijk om alle lesfasen (introductie, instructie, verwerking, evaluatie) te plaatsen in het leerlingmateriaal. Zo krijgen ook zelfstandig lerende kinderen instructie, zij het dat ze deze meer lezend dan luisterend tot zich nemen. Als alle lesfasen terug te vinden zijn in leerlingmateriaal, worden de selfservicemogelijkheden namelijk maximaal.

Als het leerlingmateriaal er anders uit gaat zien, heeft dat ook consequenties voor de handleiding. Waar de klassieke handleiding de enige plaats was waar de lesfasen introductie, instructie en evaluatie beschreven stonden, is dat nu niet meer het geval. Deze lesfasen staan steeds vaker ook in het leerlingmateriaal, beschreven in taal die voor leerlingen goed te begrijpen is. De handleiding hoeft dus niet meer in detail aan te geven wat een leerkracht precies moet zeggen, want deze teksten hebben de auteurs reeds geschreven voor het leerlingmateriaal. De ervaring leert dat dit een hele klus is. Methodemakers komen niet meer weg met abstracte suggesties, ervan uitgaande dat de leerkracht er zelf wel kindertaal van maakt. Nee, ze moeten zelf het taalgebruik aanpassen aan de doelgroep en dat is andere koek. Maar als deze stap eenmaal gezet is, staat er vaak een beter doordachte en beschreven les. Een ander groot voordeel is dat de handleiding er tevens veel compacter door kan worden, zonder dat er dingen gaan ontbreken.

De tweede ontwikkeling in handleidingland heeft te maken met de behoefte aan uitvoerige schriftelijke begeleiding. Langzamerhand verschuiven we steeds meer van een schrift- naar een beeldcultuur. Instructiefilms nemen daarbij de rol over van beschrijvingen en doen dat met verbazingwekkend veel succes: ze zijn duidelijker en bondiger dan via een tekstuele beschrijving haalbaar is. Laten zien hoe een methode werkt, kan daarom minstens net zo goed via een goed filmpje. En één ding staat daarbij vooraf al vast: de kijkcijfers overtreffen de leescijfers enorm. Uiteraard zal niet iedere lesbeschrijving vervangen worden door filmisch materiaal, maar bij algemene gedeelten zijn er veel mogelijkheden.

Dan is er nog een derde ontwikkeling waarom de handleiding wel van kleur moet verschieten, namelijk de razendsnelle introductie van het digibord. Waar het boek lange tijd de basis van de methode was, zien we nu dat het digibord de plek is waar alle methodeonderdelen in de vorm van digimenu’s bij elkaar komen. Het is zo voor de hand liggend om toelichtingen voor de leerkracht via een hyperlink te gaan koppelen met dat wat op het digibord getoond kan worden. Hierdoor kan digibordsoftware doorgroeien naar een digitale leerkrachtassistent. Inmiddels zien we de aanzet hiervoor en die is onomkeerbaar. (zie afbeelding: leerkrachtassistent Veilig Leren Lezen).

Toch zal de handleiding niet verdwijnen. Veel leerkrachten zullen het gebruiksgemak van papier verkiezen boven de digitale geneugten van You Tube, het digibord of de (tablet)pc. Maar anders wordt het wel, want de klassieke handleiding heeft aan kracht en functie ingeboet. En de alternatieven zijn er: zowel op papier als op scherm.

zondag 18 april 2010

Effectief leren met het digibord

In september 2009 heb ik een discussiefilm met de titel 'De kracht van het digibord' op You Tube geplaatst. In deze film wordt een poging gedaan om de onderwijskundige meerwaarde van het digitale schoolbord onder woorden te brengen en worden aanwijzingen gegeven om het digibordgebruik te verbeteren. Binnen korte tijd was deze film meer dan 3000 keer bekeken en stroomden via allerlei kanalen reacties binnen.

Ik vind het nu tijd voor een vervolg en wil een aantal vervolgfilms maken die de discussie over effectief digibordgebruik verder aan moeten wakkeren. Daarom heb ik een nieuwe discussiefilm gemaakt met de titel 'Effectief onderwijs met het digibord'. Deze film gaat over de relatie tussen de 7 schakels van effectief onderwijs en het gebuiken van een digibord. Conceptversie 1 (zie onder) staat inmiddels online. Ik wil iedereen die een bijdrage wil leveren, vragen om de film te bekijken en reacties te plaatsen. Zo kunnen we de film samen nog beter maken.



Iedereen die een bruikbare reactie plaatst, die leidt tot aanpassingen in de film, zal opgenomen worden in de aftiteling. Ik zal de reacties verwerken in een nieuwe versie en deze publiceren op mijn You Tube-kanaal en op een aantal weblogs.

Het georganiseerde wantrouwen

Geen sector kan zonder innovatie. En innovatie kan niet zonder gedrevenheid. En gedrevenheid ontstaat alleen als er een flinke dosis motivatie achter schuilt. Motivatie die mensen inbrengen en die van binnenuit komt. Op deze manier ontstaan de mooiste nieuwe dingen en de trots, die vanzelf volgt, is de katalysator die het succesvolle vervolg direct weer aanjaagt.

Helaas is in veel scholen ook een ander mechanisme ontstaan. Mede onder invloed van allerlei uit de VS overgewaaide management- en onderwijstheorieën is het gelegenheid bieden tot innovatie vervangen door een topdownsysteem dat uitgaat van voorschrijven, controleren en wantrouwen. Veel van deze theorieën hebben hun meerwaarde laten samenlevingen waar veel te winnen valt bij een betere regulering. Maar in een al overgereguleerde maatschappij als de onze bekrachtigen ze iets dat al overvloedig aanwezig is: motivatieondermijnende bemoeizucht.

Het gekke is dat we vanuit motivatietheorieën vrij goed weten hoe we kinderen het best kunnen motiveren om tot leren te komen. Maar die vergeten we toe te passen op de schoolorganisaties waarin we zelf werken. Eigenlijk is er maar één invloedrijke theorie (Deci & Ryan, 1985 en 2002) in motivatieland en die is ook nog heel simpel ook. Om tot intrinsieke motivatie en gerichte actie te komen zal namelijk aan drie voorwaarden voldaan moeten worden, te weten relatie, competentie en autonomie. Relatie staat voor het gevoel er als persoon bij te horen, geaccepteerd te zijn en vertrouwen te hebben van / in anderen. Competentie staat voor het geloof in eigen kunnen en het gevoel tot iets in staat te zijn. Autonomie staat voor behoefte om een eigen invulling te kunnen geven aan de werkzaamheden. Samen zijn ze een belangrijk gedeelte de noodzakelijke fundering die innovatie mogelijk moet maken

Dit staat haaks op een schoolorganisatie die gebaseerd is op wantrouwen, de verantwoordelijkheid weghaalt van de werkvloer en een controlesysteem heeft waarmee iedere vorm van eigen invulling verleden tijd is. Een wereld ook waarin onderwijsmethoden dwangmatig, verkeerd en te voorschrijvend gebruikt worden. In een dergelijk systeem gaat veel te veel schaarse tijd zitten in verantwoording en administratie en innovatie van binnenuit krijgt nauwelijks nog een kans.

Kortom, het stuur zit aan de verkeerde kant. Er zijn, internationaal gezien, best onderwijssystemen waarbij het goed is om wat meer centraal te sturen, maar de overdaad schaadt, zeker in Nederland. Willen wij succesvol blijven, dan zal het stuur terug moeten naar de leerkracht. Gesteund door een goede opleiding en een stimulerende organisatie en met controle op hoofdlijnen. En vervolgens kunnen we de kern van innovatie opnieuw gaan ontdekken. Het ontstaat op de werkvloer, dicht bij de leerlingen. En niet in grootschalige, topzware projecten waarbij meer mensen zich bezig houden met plannen maken en projecten managen in plaats van met kinderen te werken.

Meer over het georganiseerde wantrouwen, vindt u de onderstaande discussiefilm:

woensdag 7 april 2010

De iPad in het basisonderwijs

Niemand kan het zijn ontgaan. Het afgelopen weekend was de iPad voor het eerst verkrijgbaar in de winkel. Vooralsnog alleen in de VS, maar de verwachting is dat in het najaar het apparaat ook in Nederland verkrijgbaar zal zijn.

Ook dit keer is het Apple weer gelukt om een ware hype te creëren rond de introductie van een nieuw apparaat. En inderdaad wilden veel mensen (ongeveer 300.000) de gadget meteen hebben. De dommeriken lagen in een slaapzaak voor de Apple store op straat te wachten en de slimmeriken hadden hun bestelling online geplaatst. Wel zo handig.

De vraag die ons bezighoudt is natuurlijk wat de iPad voor het basisonderwijs kan gaan betekenen. Het is daarbij van belang om onderscheid te maken tussen het nu beschikbare hypemodel van Apple en het type apparaat dat de iPad is. In feite gaat het om een verrijkte e-reader, waarop naast boeken, kranten en tijdschriften lezen ook films bekeken en muziek beluisterd kan worden. Misschien nog wel interessanter is dat je ermee op het internet kunt surfen en je mail ermee kunt beantwoorden.

Uiteraard moeten we maar eens bekijken of het lezen op een iPad-scherm hetzelfde aanvoelt als lezen in een boek. En er zullen zeker nog andere zaken gaan tegenvallen. Allemaal zaken die in latere versies of concurrerende verrijkte e-readers opgelost zullen zijn. Daarom is deze iPad toch de eerste stap in een nieuw tijdperk, want hiermee is er opnieuw een alternatief voor het papieren boek. Eerst was er het digitale schoolbord, dat in groepssituaties door het groot projecteren, het gebruik van boeken minder noodzakelijk maakte. Nu lijkt er met de verrijkte e-readers als de iPad ook in andere situaties een alternatief te zijn voor het werken vanaf papier. Er zullen basisscholen zijn die dit aan gaan grijpen om door te groeien naar een min of meer papierloze school. Waarschijnlijk met de duurzaamheidsgedachte als belangrijkste argument.

In het middelbaar onderwijs zou het nog wel eens veel sneller kunnen gaan, want daar kan de iPad ook de oplossing zijn voor een ander probleem. Al jaren wordt kritisch gekeken naar de tere kinderruggetjes, behangen met een rugzak met 15 kilo aan boeken. En nu is er ineens een kansrijk alternatief van 0,68 kilo. Ik zou het wel weten. Ze konden mijn rug op.

Meer weten over de iPad. Bekijk de video van iJustine: